Tekst: Truda Zijp, foto: David de Lange Photography

Passend onderwijs op een havo-vwo school: hoe gaat dat? Is er iets specifieks op het gebied van leerlingen begeleiden binnen deze schoolsoort? Eline Heine denkt van niet en ook dat dat niet zou moeten: ‘Waar dan ook, ik verwacht dat het uitgangspunt altijd het individu is.’

Eline Heine is leerlingbegeleider en Coördinator ondersteuning en begeleiding bovenbouw havo-vwo op het Bertrand Russell college in Krommenie. Ze geeft ook nog een paar uur les in ckv. Heine: ‘Voor onze school geldt bij passend onderwijs: de leerling is het uitgangspunt. Je geeft aandacht, bouwt een goede relatie op, helpt met de hulp die nodig is en daarbij analyseer je hoe je dat doet en wat werkt.’

Beter gezien

Op het Bertrand Russell college kregen vorig schooljaar 28 van de 742 leerlingen passend onderwijs in de bovenbouw, en 20 van de 419 leerlingen in de onderbouw. Heine: ‘We zien vooral leerlingen met ASS, concentratieproblematiek, depressies, angsten, eetstoornissen, chronische ziekten en soms hoogbegaafdheid. Als een hoogbegaafde ergens tegenaan loopt, is er meestal wat meer aan de hand. We hebben nu meer leerlingen die passend onderwijs nodig hebben dan in de eerdere rugzakjes-periode. We kij ken beter naar wat nodig is voor de leerlingen. Vooral de ADHD’ers en depressieve jongeren worden nu beter gezien, ook bij instanties. De digitale wereld in deze tijd maakt het leren en leven voor een ADHD’er een stuk lastiger. We kunnen met de komst van passend onderwijs betere ondersteuning inzetten om ze te helpen. Dat we vaker depressieve en angstige jongeren meemaken, ligt misschien aan de meer prestatiegerichte maatschappij waarin we nu leven.’

Wekelijks gesprek

Voor de onder- en bovenbouw zijn er twee coaches op school. Heine coacht leerlingen die een korte periode ondersteuning nodig hebben. Daarnaast doet ze de coördinatie van alles wat voor het passend onderwijs nodig is. Ze is voor iedereen het aanspreekpunt. ‘We werken vooral coachend. De meeste leerlingen komen wekelijks bij hun trajectcoach op gesprek. Samen met ouders en mentor stelt die een ontwikkelingsperspectiefplan op. Meestal vindt er twee keer per jaar een evaluatie plaats, je moet je kunnen verantwoorden. De begeleiding bestaat vooral uit individuele ondersteuning, in overleg met de ouders en, als die betrokken zijn, de instanties. We laten de leerlingen en ouders vertellen wat nodig is. Dat wat ze zelf aangeven is het uitgangspunt voor begeleiding. Wij denken mee, overleggen met de docenten en zitten bij de leerling besprekingen. Sommige leerlingen geven we wat meer sturing als blijkt dat ze dat nodig hebben. De hulp is net zo wisselend als de leerlingen van elkaar verschillen. Het varieert van hulp bij plannen, faciliteiten regelen tot samen positieve gedachten opstellen.‘

Onrust en rust

Coronatijd was voor leerlingen die baat hebben bij duidelijkheid extra lastig, merkt Heine op. ‘Steeds een ander rooster, wel-niet naar school, mondkapje-op-mondkapje-af, toetsen die niet doorgaan, dan weer wel, een onrustige tijd. Voor ons niet makkelijk om juist bij leerlingen die dat nodig hebben op tijd duidelijkheid te geven, want wij wisten meestal ook niet hoe het per dag zou gaan. We gingen vaak voor vragen naar de roostermakers, die hadden het coronaschooljaar een flinke taak. Veel van deze leerlingen hebben dit jaar in de praktijk geleerd flexibeler te zijn. Ze moesten wel, het kon niet anders. Er waren ook leerlingen voor wie het thuiswerken juist fijn is omdat ze daar meer rust hebben, minder last van teveel prikkels. Vooral voor leerlingen die zich niet zo goed kunnen concentreren was dat een voordeel.

Te voorzichtig

Wat voor leerlingbegeleiding dus werkt, is uitgaan van het individu en dat samen doen met ouders en hulpverlening van anderen. ‘Wat lastig kan zijn is als de verschillende betrokkenen niet op één lijn zitten of als leerling en ouders geen hulp willen, er bijvoorbeeld niet voor open staan vanuit hun geloof of het probleem bagatelliseren.’ Je leert al doende ook van alles over jezelf, geeft Heine aan. ‘Ik was in het verleden wel eens te voorzichtig. Ik heb eens een leerling met Asperger begeleid die veel angsten en psychosen ontwikkelde. Toen remde ik ook een andere leerling wat af. Later, toen deze leerling op de universiteit zat en zelfstandig woonde, kwam ze me vertellen dat ze meer zelfvertrouwen van me had willen krijgen. ‘Ik kan het wel’, als overtuiging. Zoiets had ik ook met een chronisch zieke leerling, die volgens plan 5 vwo in twee jaar deed. De zesde wilde ze in één jaar doen en ik dacht: dat kan niet. Maar jawel, ze deed het gewoon, met een beetje hulp voor wat spreiding van toetsen en de mogelijkheid om iets in te halen. Het is voor iedereen anders, ook anders dan je zelf soms denkt. Dat moet je je realiseren.’

Meepuzzelen

Heine houdt van dit werk. ‘Ik hou van de combinatie voor de klas staan en ondersteuning geven. In de schoolorganisatie staan mentoren en docenten het dichtst bij de jongeren. Zij zijn de mensen die het verschil maken voor de leerlingen. Niet iedereen ziet het meteen als er iets is waarvoor je aan de bel moet trekken. Soms zie je dat een collega teveel zelf aan de slag gaat, waardoor je dingen kan missen. Om dit allemaal beter te laten lopen, en meer op één lijn te komen, gaan we dit schooljaar apart overleg houden met begeleiders en mentoren.’ Heine vertelt dat de leerlingen veel ruimte krijgen om hun doel te bereiken. ‘Soms blijkt dat ze het niet redden. Dat is dan echt jammer. Als het wel lukt is dat zo’n opsteker voor de leerling. En ik ben gelukkig als een leerling een diploma haalt en heb meegepuzzeld om dat voor elkaar te krijgen. Daar doe je het voor.’

Vergelijkbare berichten