Goed onderwijs begint bij de leerlingen, niet bij het systeem

Dit artikel is geschreven door Mike Jolink en komt uit BiOND Magazine: Lustrum

Een reflectie op passend en inclusief onderwijs & een perspectief voor de toekomst

Mike Jolink was ruim 10 jaar verbonden aan het Steunpunt Passend Onderwijs. Een programma van de PO-Raad en de VO-raad dat schoolbesturen, scholen en samenwerkingsverbanden ondersteunt bij de uitvoering van passend onderwijs en de beweging naar inclusief onderwijs.

Als je ergens langere tijd werkt, beweeg je al snel mee met de stroom. Je zet je in, je probeert, je verbindt, je organiseert, je legt uit. In mijn geval heb ik me jarenlang ingezet om passend onderwijs een plek te geven in samenwerkingsverbanden en scholen. Met het Steunpunt Passend Onderwijs hebben we sinds 2014 meegebouwd aan kennisontwikkeling, praktische ondersteuning en netwerkvorming. We ondersteunen scholen en samenwerkingsverbanden bij de uitvoering van hun taken, werken aan een gemeenschappelijke kennisbasis en we bieden platformen voor gezamenlijk leren en ontmoeten.

En dat is ook hard nodig. Want passend onderwijs — en de stappen richting inclusiever onderwijs — vragen veel van het systeem én van mensen. Deze beweging vraagt om meer dan alleen beleidsmatige aanpassing: het vereist een gedeeld pedagogisch kompas waarin erkenning, relationele verbondenheid en context centraal staan. Er moet meer ruimte komen voor de stem van ouders en leerlingen, voor het vakmanschap van leraren, en voor het terugdringen van bureaucratie. Maar tegelijk klinkt er steeds vaker een ander geluid.

Want wat als het systeem piept en kraakt? Soms door wet- en regelgeving die nog te veel leunt op uitgangspunten die zijn gebaseerd op indicatiestelling en ‘rugzakjes’, en op verschillende uitbreidingen en regelingen waardoor het ondoorzichtiger wordt. Maar vaak ook door eigen keuzes in beleid en inrichting van het (regionale en lokale) onderwijs en door hoe er gekeken wordt naar de pedagogische context waarin leerlingen leren. Wat als men zich in steeds meer bochten moet wringen om het juiste te kunnen doen? Als in de beeldvorming de nadruk ligt op het feit dat het speciaal onderwijs groeit en er meer thuiszitters zijn dan ooit? Wat als we bezig blijven met beleidsdoelen en structuren die in essentie het verschil níet maken? Het zijn vaak pleisters die symptomen proberen te verminderen. Pleisters die veel tijd en energie kosten.

Wat als we, ondanks alle goede bedoelingen, blijven repareren in plaats van transformeren?

Wat waren ook alweer de uitgangspunten van passend onderwijs?

  • Geen noodzaak tot het labelen van kinderen door de afschaffing van de landelijke systematiek van de indicatiestelling;
  • Zorgplicht maakt scholen verantwoordelijk voor het vinden van een zo passend mogelijke plek;
  • Handelingsbekwame leerkrachten;
  • Betere afstemming van de inzet van ondersteuning in het onderwijs op de inzet vanuit andere sectoren in het jeugddomein, zoals de jeugdzorg, de WMO-zorg en de arbeidsmarkt;
  • Geen thuiszitters door het bieden van een zo passend mogelijk onderwijsprogramma voor alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben in het onderwijs;
  • Budgettaire beheersbaarheid en transparantie;
  • Minder complexiteit en bureaucratie.

Wat hebben leerlingen écht nodig?

Pas als je even afstand neemt, zie je het scherper. Dan zie je hoe vaak het gesprek gaat over labels, kaders, indicaties en uitzonderingen – in plaats van over de essentie: de ontwikkeling van de leerling. We redeneren vanuit groepen, uitzonderingen, problemen, medische labels en categorieën. Passend onderwijs. Inclusief onderwijs. Speciaal onderwijs. Ondersteuningsniveaus. We creëren nieuwe hokjes in plaats van ze af te breken. Vaak ook in taal die voor professionals, ouders en leerlingen moeilijk te doorgrond of te begrijpen is.

Maar als we willen dat álle leerlingen tot ontwikkeling komen, moeten we volgens mij terug naar de kernvraag: wat vinden we goed onderwijs? En hoe organiseren we goed onderwijs voor alle leerlingen en richten we de passende onderwijscontext in? Welke pedagogische waarden liggen hieronder? Het gaat om de onderliggende waarden: het waarom van je werk. Als dat helder is, is ook het vertrekpunt van de school en het team helder, net als waarom je bepaalde keuzes maakt om de context te versterken. Hierbij gaat het uiteindelijk om het versterken van relaties en collectieve structuren.

Van passend en inclusief onderwijs naar een andere kijk op onderwijs

Jaren geleden werkte ik intensief samen met Dolf van den Berg. Hij hield een vurig pleidooi voor anders kijken. Niet vanuit ‘aanpassing voor wie afwijkt’, maar vanuit ontwikkeling voor iedereen.

In die geest is het tijd om onze uitgangspunten fundamenteel te herzien. Niet langer onderwijs organiseren rond gemiddelden, maar rond menselijke ontwikkeling. Niet leerlingen in systemen persen, maar systemen aanpassen aan leerlingen. Iets wat ik overigens tijdens veel werkbezoeken terugzie: mensen die met passie werken aan inclusieve schoolcontexten. Maar waar altijd systeemuitdagingen spelen: hoe organiseer en financier je dat duurzaam? Het systeem is gebouwd op oude ideeën die niet passen bij wat we in de praktijk willen.

Het gedachtegoed van Dolf van den Berg biedt hierbij een krachtige denkrichting. Het stelt niet de leerling ter discussie, maar de leeromgeving. Het vraagt niet: hoe passen deze leerlingen in het systeem? Maar: hoe richten we de context zó in dat de leerlingen tot bloei kunnen komen?

Leren als relationele autonomie

Omarm dat diversiteit de norm is. Verschillen worden niet weggewerkt of gelabeld, maar gezien als vanzelfsprekend en waardevol. Elk kind leert op zijn eigen manier, in zijn eigen tempo, op zijn eigen moment. De uitdaging is om de overeenkomsten in de verschillen te vinden en hierop de context te versterken.

Juist door een sterke sociale gemeenschap te bouwen waarin leerlingen met verschillende leeftijden, achtergronden, talenten en leerstijlen elkaar ontmoeten, ontstaat er structuur én ruimte. Dolf spreekt dan ook van relationele autonomie: leren gebeurt in vrijheid, maar altijd in verbondenheid met anderen. De diversiteit en verschillen kunnen juist versterkend werken. Je bouwt aan een sterke schoolgemeenschap, waarin we elkaars verschillen leren kennen én waarderen. Relationele autonomie, in de context van leren, betekent dat je als lerende niet alleen zelfstandig bent, maar ook verbonden met anderen en je omgeving. In de relatie met de leraar kan de leerling oefenen met deze autonomie. Het gaat om het versterken van de relaties – leraar zijn is vooral een relationeel beroep. Dit vraagt om andere structurele keuzes en het inrichten van krachtig teamleren. Tijdens werkbezoeken zien we al de opbrengsten voor lerarenteams: meer werkplezier en ook verlaging van de werkdruk.

Wat ik in de praktijk vaak zie, is dat leerlingen zélf elkaars beperkingen of ondersteuningsbehoeften nauwelijks opmerken of benoemen — zolang iedereen gewoon mee kan doen. Voor veel kinderen is het juist prettig om niet speciaal of ‘anders’ te zijn. Dit vraagt juist niet om een individuele aanpak of benadering. Een schoolomgeving waarin ondersteuning vanzelfsprekend onderdeel is van het geheel, maakt dat mogelijk. Een stevige context en ondersteuningsstructuur rond de leerling maken dan ook een groot verschil – niet alleen voor het kind zelf, maar ook voor ouders die zich daardoor écht gesteund weten. Wat goed is voor leerlingen met een ondersteuningsbehoefte, is vaak ook goed voor alle leerlingen. Denk bijvoorbeeld aan aanbod voor leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis, waar ook andere meertalige leerlingen van profiteren.

Waar we elkaar in diversiteit ontmoeten. Iets waar de maatschappij nog veel van kan leren.

De stap vooruit: anders denken, anders organiseren

Wat vraagt dit van ons onderwijs? In de praktijk zien we teams in scholen elke keer opnieuw de vraag stellen: wat kunnen we leren van onze leerlingen? Wat zegt dit gedrag over onze lespraktijk, groepsindeling, cultuur en structuur? Welke aanpassing helpt álle leerlingen? Je hoeft het niet in één keer te realiseren. Maar het is wél de weg die je moet inslaan. Een transitie van individueel en medisch naar groepsgericht, van systemen naar relaties, van normeren naar ontwikkelen. Dat vraagt dat je vertrekt vanuit je visie op goed onderwijs voor de leerlingen op jouw school.

Dat vraagt om een andere onderwijsorganisatie die de ruimte binnen het huidige stelsel benut:

  • Een andere dagindeling;
  • Ruimte voor heterogene groepen;
  • Afscheid van het leerjaarklassensysteem als norm;
  • En een cultuur waarin elke leerling mag verschillen zonder tekort te schieten.

Dit vraagt ook om aanpassingen in het beleid van je school of samenwerkingsverband, wanneer dat de uitvoering van je pedagogisch ideaal belemmert. Wat we nu nodig hebben, is een onderwijsorganisatie die recht doet aan autonomie, verbondenheid en competentie.

Tot slot: de moed om te normaliseren wat nu nog bijzonder is. En het vraagt om na te denken over bijvoorbeeld: ‘Waarom zou deze leerling hier niet tot ontwikkeling kunnen komen?’, ‘Wat is nodig om de ondersteuningsstructuur zo in te richten dat het wel kan?’ en ‘Voor wie is dit gedrag lastig?’ En vooral: wat leert ons dit gedrag over ons onderwijs? Hoe wijst dit ons erop dat we in ons didactisch en pedagogisch handelen nog onvoldoende weten aan te sluiten bij onze leerlingpopulatie? En nog belangrijker: hoe kan de nadruk worden gelegd op sterke punten en wat wel kan? Ondersteuning vormt een regulier onderdeel van het onderwijs.

In plaats van aanpassingen te maken voor ‘de leerling met extra ondersteuningsbehoefte’, zouden we de hele context zó moeten ontwerpen dat ondersteuning, verschil en ontwikkeling normaal zijn. Niet passend maken wat afwijkt, maar een leeromgeving bouwen waarin niemand hoeft af te wijken om erbij te horen. En hoe zorg je ervoor dat je niet steeds individuele aanpassingen blijft maken, maar het omdraait door te zeggen: wat leren we van deze leerling over hoe we ons onderwijs voor alle leerlingen kunnen aanpassen? Dus zoek naar structurele aanpassingen voor het collectief i.p.v. individuele aanpassingen voor iedere leerling.

Dat is de kern van het onderwijs. En dat is, volgens mij, de volgende stap. Geen Steunpunt Passend Onderwijs of Inclusief Onderwijs, maar een Steunpunt Goed Onderwijs. En dan vooral doen. We praten al een tijd over het proces. Geen grootse idealen, maar kleine stappen vanuit je pedagogisch idee over wat je goed onderwijs vindt voor jouw leerlingen.

In een gesprek met Willeke Doornbos (Instituut voor Inclusief Onderwijs) werd het Verdrag van Salamanca uit 1994 aangehaald. Passend onderwijs lijkt vaak top-down georganiseerd: de focus ligt op wat een individuele leerling nodig heeft. Maar wat gebeurt er als je het perspectief omdraait en begint bij het creëren van krachtige leeromgevingen?

De oorspronkelijke Salamanca-verklaring (UNESCO, 1994) vertrekt vanuit het recht van ieder kind op passend onderwijs. Wanneer je echter de volgorde omkeert en begint bij het ontwerp van een inclusieve leeromgeving, wordt het eenvoudiger om dit recht daadwerkelijk te realiseren. Deze omkering helpt om de boodschap van de verklaring in het juiste perspectief te plaatsen:

De Salamanca-verklaring (UNESCO, 1994) wordt krachtiger – juist wanneer je haar van achter naar voren leest.

  • Scholen bouwen krachtige leeromgevingen waarin alle leerlingen zich kunnen ontwikkelen.
  • Ondersteuning is geen uitzondering, maar geïntegreerd in het reguliere onderwijs.
  • Leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften worden verwelkomd in kindgerichte, inclusieve gemeenschappen.
  • Onderwijsprogramma’s zijn ontworpen voor diversiteit — niet voor gemiddelden.
  • Elk kind leert op een unieke manier, in een unieke context.
  • Elk kind heeft recht op onderwijs en ontwikkeling.

Daarom begin je bij de scholen waar inclusie in de praktijk vorm krijgt. De onderliggende principes vragen om andere keuzes in de dagelijkse praktijk: van het denken en organiseren in ketens, naar het ondersteunen van lerarenteams; van indicatiestelling naar directe ondersteuning in de klas; van aparte structuren en doelgroepdenken naar inclusieve leeromgevingen waarin verschillen vanzelfsprekend zijn.

Landelijke beleidsmakers hebben daarbij de taak om regels en kaders te creëren die deze ontwikkeling faciliteren.

Laten we daarna kijken welk systeem nodig is om dit beeld mogelijk te maken. Hoe willen we dan samenwerken? Wat doet een samenwerkingsverband? Hoe zetten we middelen in? Hoe luisteren we naar ouders en leerlingen? Hoe maken we krachtige onderwijsteams? En hoe zorgen we dat expertise beschikbaar is en stroomt? Hoe wil je dan de puzzelstukken leggen? Wie durft dit op te pakken? Hierbij is het ook belangrijk om uit te gaan van de juiste volgorde der dingen: van school, naar schoolbestuur, regionale samenwerking en het samenwerkingsverband, en daarna de landelijke overheid.

Kortom: hoe stellen we de context echt centraal en bouwen we leeromgevingen waar leerlingen zich kunnen ontwikkelen?

De toekomst van inclusief onderwijs begint niet met nieuwe systemen, maar met de volgende pedagogische keuze die jij als leraar, schoolleider of beleidsmaker maakt, “We zijn allemaal leerwezens. Alle leerlingen willen leren. De vraag is niet óf ze leren – maar of wij het durven organiseren.” – Dolf van den Berg

Vergelijkbare berichten