Geschreven door Marieke Tjang-Monterie op basis van het rapport De Staat van het Onderwijs 2026 en met inzichten en reacties van directeur Minette van den Bemd en het expertteam van BiOND.
Zojuist verscheen de Staat van het Onderwijs 2026. Begeleiding wordt niet expliciet genoemd, maar komt duidelijk terug in de cijfers. Bovendien legt de Onderwijsinspectie de vinger op precies die plekken waar begeleiders mee te maken hebben: regionale kansenongelijkheid, stijgende uitval en groeiende ondersteuningsvragen.
Bij de overhandiging van de Staat van het Onderwijs aan minister Letschert en staatssecretaris Thielen sprak inspecteur-generaal Alida Oppers haar zorg uit over aanhoudende kansenongelijkheid en over schoolleiders die te weinig toekomen aan hun eigenlijke opdracht. Het zijn zorgen die wij herkennen. Niet van papier, maar van de professionals die dagelijks met jongeren werken.
“De bevindingen in deze Staat bevestigen wat wij in de praktijk zien”, zegt Minette van den Bemd, directeur van BiOND. “Jongeren verdienen goede begeleiding. Die boodschap klinkt nu luider dan ooit.”
De regio bepaalt nog te vaak het loopbaanpad
Een van de scherpste bevindingen in de Staat is ook een van de meest concrete. In IJsselstein wordt in acht van de tien gevallen het schooladvies bijgesteld als de doorstroomtoets een hoger advies laat zien. In Stadskanaal in vier van de tien gevallen. Terwijl bijstellen wettelijk verplicht is. Waar een kind opgroeit, bepaalt nog te vaak welk pad het bewandelt. Niet alleen bij het schooladvies, maar ook bij de doorstroom naar bijvoorbeeld het mbo en uiteindelijk bij de positie op de arbeidsmarkt. Leerlingen met vergelijkbare capaciteiten eindigen in heel andere loopbanen, afhankelijk van hun postcode.
Tegelijk laat de Staat zien dat het anders kan. Oppers noemde bij de overhandiging scholen die bovengemiddeld presteren, juist omdat ze werken met een kwetsbare leerlingpopulatie. Scholen die doelgericht zijn, die weten wat ze te doen hebben en daar vol voor gaan. Die combinatie van ambitie en bewustzijn maakt het verschil. Dat vraagt ook om begeleiders die hun eigen verwachtingen kennen, die data gebruiken als spiegel en die het gesprek over kansen durven te voeren.
Uitval is geen toeval
Het aantal voortijdig schoolverlaters in het vo stijgt. En in het mbo verlaten jaarlijks bijna 22.500 studenten het onderwijs zonder startkwalificatie. De inspectie noemt beïnvloedbare factoren: motivatie, binding met school, vertrouwen in het eigen studiesucces en een opleiding die aansluit bij de interesses van de student.
Dat zijn geen abstracte beleidsdoelen. Dat zijn de gesprekken die begeleiders elke dag voeren. Dat is begeleiding in de volle breedte, in de praktijk. Wie zich gezien voelt en weet waarom hij of zij op school zit, haakt minder snel af.
Bijna 17% van de nieuwe instroom in het mbo bestaat inmiddels uit leerlingen die het voortgezet onderwijs zonder diploma verlieten. De inspectie spreekt van een doelgroep die vraagt om maatwerk en passende begeleiding. Meer dan ooit raken LOB en leerling- en studentondersteuning elkaar hier.
De ondersteuningsvraag groeit
Dat geldt ook voor de zorg- en ondersteuningscoördinator. De Staat laat zien dat het aantal leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften fors is gestegen: in 2018 zei 50% van de leraren dat meer dan een op de tien leerlingen speciale behoeften heeft, in 2024 is dat 86%. In het mbo neemt de complexiteit van hulpvragen toe, terwijl budgetten niet meegroeien. Docenten missen de pedagogische vaardigheden om hiermee om te gaan, en een kwart van de startende leraren geeft aan meer scholing te willen op dit vlak.
Tegelijk nemen thuiszitters toe, zijn wachtlijsten bij bovenschoolse voorzieningen een hardnekkig probleem en vraagt de groeiende groep leerlingen die de overstap maakt van speciaal naar regulier onderwijs om zorgvuldige begeleiding bij elke overgang. Juist deze professionals houden de school overeind op de plekken waar de druk het grootst is. Hun werk vraagt om erkenning, maar ook om ruimte, toerusting en samenwerking met het bredere schoolteam.
LOB hoort in de hele school
Wat de Staat van het Onderwijs 2026 opvallend weinig met zoveel woorden benoemt, terwijl het overal tussen de regels door klinkt, is loopbaanontwikkeling en -begeleiding. De inspectie schrijft over motivatie, binding, regionale ongelijkheid en de noodzaak van samenhang in het curriculum. Dat zijn stuk voor stuk LOB-vraagstukken.
De implementatie van het nieuwe curriculum biedt een kans die we niet onbenut mogen laten. Wij zijn ervan overtuigd dat LOB een centrale plaats verdient in dat nieuwe curriculum, niet als taak van de decaan alleen, maar als gedeelde verantwoordelijkheid van ieder teamlid. Ook in de vakles. Mede met steun van OCW zetten we ons hier actief voor in.
“Taal wordt meer onderdeel van alle vakken”, zei staatssecretaris Thielen bij de overhandiging. Wij zeggen hetzelfde over LOB: het is niet het eigendom van een specifieke specialist zoals de decaan, het is de verantwoordelijkheid van de hele school.
Vergeet de ondersteuners niet
Staatssecretaris Thielen zei het bij de overhandiging: vergeet de ondersteuners niet. Die woorden sluiten precies aan bij onze missie. Wij zijn er voor de decanen, ondersteuningscoördinatoren, mentoren en SLB’ers die elke dag met jongeren werken en die het verschil maken dat in geen enkel rapport volledig zichtbaar wordt.
De Staat van het Onderwijs 2026 vraagt om actie. “Die actie begint bij de professionals op de werkvloer”, aldus Minette. “En wij staan naast hen.”
Met bijvoorbeeld de BiOND Academie, artikelen in BiOND Magazine, aandacht tijdens de Week van de Studiekeuze en zowel de verdieping als de ontmoeting tijdens het BiOND Congres werken we aan precies die versterking. Niet omdat we onszelf willen profileren, maar omdat de urgentie groot is en de behoefte reëel.
Fotografie: Overhandiging Staat van het Onderwijs – Beeldrechten Inspectie van het Onderwijs – Ministerie van OCW